Hoe zit het mbo in elkaar?

Kwalificatiedossiers en beroepspraktijkvorming? BOL of BBL? Hoe zit het mbo in elkaar?

Kwalificatiedossiers

Wat moet een mbo’er kunnen en kennen als hij de arbeidsmarkt opgaat? Dat staat beschreven in de ‘kwalificatiedossiers’. De kwalificatiedossiers worden ontwikkeld door kenniscentra, zoals ECABO. In elk dossier wordt een kwalificatie beschreven. Elk kenniscentrum heeft ‘kwalificaties’ van een andere sector onder zijn hoede. Zo maken wij bijvoorbeeld vooral kwalificatiedossiers in de zakelijke dienstverlening.

Scholen gebruiken deze kwalificatiedossiers om hun opleidingen in te richten. Aan de hand van de kwalificatiedossiers worden hun leerlingen geëxamineerd.

Bij het opstellen van de kwalificatiedossiers luisteren de kenniscentra naar het bedrijfsleven. Daar komen de leerlingen ten slotte te werken. Ook doet ECABO arbeidsmarktonderzoek. De ontwikkelingen van een sector of branche worden meegenomen bij het maken van de kwalificatiedossiers.

Niveau’s

Het mbo is ingedeeld in vier niveau’s. Niveau 1 is het ‘laagste’ niveau, niveau 4 het hoogste. Veel mbo-leerlingen kiezen ervoor om na een bepaald niveau verder te studeren op een hoger niveau.

  • Niveau 1-leerlingen: assistent beroepsbeoefenaar. Deze leerlingen kunnen onder toezicht eenvoudige, uitvoerende werkzaamheden verrichten.
  • Niveau 2-leerlingen: medewerker/basisberoepsbeoefenaar. Deze leerlingen worden opgeleid voor beroepen die vooral bestaan uit uitvoerende taken. Ze werken vaak samen met een meerdere.
  • Niveau 3-opleidingen: zelfstandig medewerker/zelfstandig beroepsbeoefenaar/vakopleiding. Deze leerlingen kunnen volledig zelfstandig werkzaamheden uitvoeren.
  • Niveau 4-opleidingen: middenkaderfunctionaris/gespecialiseerd beroepsbeoefenaar. Deze leerlingen kunnen specialistische uitvoerende taken zelfstandig verrichten. Ze zijn breed inzetbaar en dragen verantwoordelijkheid voor de dagelijkse gang van zaken. Gediplomeerden op niveau 4 kunnen doorstromen naar het hbo.

Stages

De stage is in het beroepsonderwijs heel belangrijk en vormt een groot onderdeel van de opleiding. In het onderwijsjargon heet dit beroepspraktijkvorming (bpv). Tijdens zijn stage komt de leerling in aanraking met het bedrijfsleven.

Stage lopen mag een leerling niet zomaar bij het eerste de beste bedrijf. Een bedrijf moét erkend zijn als leerbedrijf. Op die manier krijgt een leerling een kwalitatief goede stage. De kenniscentra erkennen bedrijven die een stagiair van het mbo willen hebben.

De stage in het mbo heeft twee varianten.

  • Bij de BOL (Beroepsopleidende Leerweg) gaat de leerling de hele week naar school en loopt hij stage om praktijkervaring op te doen. Leerlingen lopen een van te voren vastgestelde periode stage.
  • Bij de BBL (Beroepsbegeleidende Leerweg) begint de leerling direct met werken en gaat hij een of twee dagen in de week naar school om de theorie te leren. Het praktijkonderdeel bevat tenminste 60% van de opleiding. Leerlingen werken 3 á 4 dagen bij een vaste werkgever en gaan 1 á 2 dagen naar school.